Noa: ‘Je schaamt je voor de dingen die je denkt. Je moet leren te vertellen wat je dwars zit. Maar je moet dan wel eerst weten dat je het hebt!’

 

Noa (17) is creatief, ze tekent graag en wil later kunstenaar worden. Modeontwerper. ‘Vooral iets anders dan er al is’, lacht Noa. Haar lange oranje oorbellen wiebelen mee met de beweging van haar hoofd. Ze komt geregeld in een museum. Het Teylersmuseum in Haarlem bijvoorbeeld. Ze houdt van geschiedenis en van muziek. Bob Marley is haar absolute held. Ze luistert ook graag naar de Beatles, de Chili Peppers en Nirvana. ‘Maar als je down bent geen Nirwana. Daar word je dan niet beter van.’ Noa bloeit weer op. Het ging een lange tijd minder. Te lang, vindt ze zelf.

 

Ik voelde me schuldig

De problemen begonnen in groep 5. ‘Elke keer als ik iets aangeraakt had dacht ik dat er iets ergs zou gebeuren. Dat er mensen dood zouden gaan. Mijn schuld! Door die vingerafdrukken. De politie zou mij op kunnen sporen.’ Noa loste dat op door anderen uit te dagen. ‘Als kind kan je er makkelijk een spelletje van maken. Zo van: “Durf jij dat ook aan te raken”. Dan stonden er andere vingerafdrukken. ‘In het begin viel dat niet op, maar na een tijdje vonden de mensen het wel irritant worden.’

Angst en rituelen

Het werd van kwaad tot erger, vooral toen Noa ging puberen. Er speelden vreemde gedachtes in haar hoofd. Bang voor onvoldoendes, bang voor de dood. ‘Op z’n laatst dacht ik elke dag dat ik dood zou gaan. Dood is mijn grootste angst. Altijd bang besmet te worden. Of om andere mensen te besmetten, dat dan weer tot de dood leidt. ’ ’s Avonds voor het naar bed gaan had ze allerlei rituelen met dwang. Dat gaf veel ruzies. Handen wassen, handen wassen. En dat duurde heel lang en maakte veel herrie. Haar vader dacht dat het pesterijen waren om hem te irriteren.

Te lange weg

‘Ik sprak er vaak over met m’n moeder. Dat heeft me erg geholpen. Ze kon goed luisteren. Ze ging nooit mee in de dwang. Daar ben ik heel dankbaar voor. Daardoor werd m’n dwang niet verergerd. Door me van tijd tot tijd een schop onder m’n kont te geven.’ Het was ook haar moeder die in de gaten kreeg dat er meer aan de hand was. Maar wat? Noa: ‘Ik moest vaak naar het RIAGG voor onderzoeken. Aldoor dezelfde verhalen vertellen. Heel vervelend. Pas op m’n veertiende is het eruit gekomen. Toen ik bij de psychiater was geweest.’

Eindelijk hulp

Inmiddels is Noa 17. Een half jaar geleden begon ze met cognitieve gedragstherapie. Pas toen werd duidelijk hoe erg ze er aan toe was. Ze werd opgenomen. Tot een week voor dit gesprek. Nu krijgt ze dagbehandeling en gaat ze ’s avonds weer naar huis. Alle dagen van de week, behalve vrijdag. Dan zit ze weer op haar oude school. Ze weten daar nu dat ze een angststoornis heeft. Over een half jaar verwacht ze helemaal klaar te zijn met de therapie.

Anderen eerder

Noa werkt ook mee aan deze website. Ze hoopt daarmee vooral dat anderen eerder ontdekken wat er precies mis is. Zelf dacht ze lange tijd dat iedereen van die gedachtes had zoals zij. Niet dus. Dank zij de behandeling leert ze nu stapje voor stapje te praten over wat haar dwars zit. Hoewel dat nog niet makkelijk is. Pas nadat ze was opgenomen hoorde haar omgeving wat er met haar aan de hand was. Maar er over praten… Noa: ‘Wat het precies is, zullen ze niet begrijpen. Niemand! M’n moeder begrijpt steeds meer. Het meest. Dat komt doordat ik vanaf de beginperiode steeds naar m’n moeder ben gegaan. Maar daar ben ik nu mee gestopt. Het werd haar teveel.’